De COVID-19-pandemie heeft op ongekende manieren een negatieve invloed gehad op de land- en tuinbouwsector. Boeren hebben de oogst zien bederven, zijn gedwongen gewassen te vernietigen en hebben hierdoor een acute vraaguitval van de exportmarkt en het wegvallen van hun grootste binnenlandse afzetmarkt: de horeca. De vraag is moet deze sector ook gesteund worden. Maar is dat terecht?? Wat met de hydroponics en Aquaponics bedrijven?

De COVID-19; een toenemend besef van het cruciale belang van de beschikbaarheid van voedsel voor de burger. Het gecombineerde effect van grenssluiting en verplaatsingsbeperkingen verhoogde voedselverliezen en exportkosten, vooral voor groenten en bederfelijke goederen die de niet-zelfvoorzienende landen blootlegden. Onder andere, de FAO maakt zich met name zorgen over de toegang van mensen tot voedsel op de middellange en lange termijn. De aanzienlijke vertraging van alle economieën van de wereld en vooral van de meest kwetsbare economieën zullen worden gevoeld, en met name voedselimportafhankelijke landen. Opmerkelijk is dat waar de voedselvoorziening gedurende de hele pandemie voldoende was, dit door de lokale markten kwam. Met name in Indonesië is de Urban Farming een troost midden in de COVID-19 quarantaine. In grote steden als Jakarta, Bogor, Yogyakarta en andere steden kreeg urban farming veel aandacht van de overheid. Natuurlijk steunt de regering dit zeer en raadt ze de gemeenschap aan om gewassen op hun erf te planten.  Vooral ook het gebruik van Hydroponicssystemen, vanwege water en oppervlak.

Vervoer enorm belastend en overbodig

Lokale en/of stads”farms” in ontwikkelde landen worden daarom een noodzaak  om deze zogenaamde eetbare groene infrastructuren, zoals verticale landbouw, hydroponics, aeroponic, aquaponic en kassen te bevorderen. Niettegenstaande de beperkingen van traditionele landbouwactiviteiten, kunnen innovatieve en ontwrichtende oplossingen en korte voedselvoorzieningsketens van verse landbouwproducten een positieve rol spelen bij het verminderen van onzekerheden door mondiale systeemrisico’s. Hoewel Nederland qua groenten en fruit voorziening redelijk onafhankelijk is, zijn we voor 20-30% (7,9 miljard) wel afhankelijk van de import. De top-3 meest ingevoerde producten in omzet uitgedrukt zijn: druif, banaan en avocado. Veel andere groenten zijn eigenlijk luxe groenten. Daarnaast is de schatting dat ongeveer 30% van alle vervoerde goederen in Nederland agri-food gerelateerd zijn. Met andere woorden het vervoeren van ons voedsel heeft een enorme belasting op ons milieu, al dan niet vanuit eigen land. En dit blijft groeien. Het probleem is alleen dat er gekeken wordt naar logistieke systeeminnovatie als oplossing. Niet naar de teeltwijzen en bedrijfsvoering. Bovendien wordt bij de lange afstanden die er worden afgelegd om ons voedsel naar ons te brengen, grote hoeveelheden fossiele brandstoffen gebruikt en stoten hiermee grote hoeveelheden kooldioxide uit. Ons voedseltransportsysteem verbruikt momenteel 20 pond fossiele brandstof voor elke twee kilo energie die we als voedsel hebben ontvangen. Wereldwijd wordt 30 procent van alle CO2-uitstoot veroorzaakt door transport van ons voedsel.

Nadelen van lange afstanden

  1. Om voor de lange reis van boerderij (groentenfabriek) tot tafel het product voor te bereiden, wordt de productie vaak onrijp geplukt, omdat rijpende producten tijdens het transport niet effectief zijn. Dit leidt tot te snel bederf. De bedrijven voorkomen dit door bijvoorbeeld tomaten groen van de stok te plukken, en gebruik te maken van GGO-zaden,  die geen natuurlijk voorkomende rijpende ethyleen (Etheen) bevatten. Het gevolg is wel dat door dit  te laten gebeuren  er veel van de voedingswaarde en smaak verloren gaat. De effecten van ethyleen op de groei en ontwikkeling van een plant zijn bekend, namelijk het heeft invloed op het verouderingsprocessen, bij het ontstaan van kleur- en geurstoffen, vorming van suikers en productie van cellulase en pectinas.  Ondanks dat de WHO in 2003 na langdurig onderzoek het volgende opmerkte ” De IARC (1994) was tot de conclusie gekomen dat er een beperkt hoeveelheid bewijs is voor de carcinogeniteit van ethyleenoxide bij mensen, is er voldoende bewijs voor de carcinogeniteit van ethyleenoxide bij proefdieren.”

Duidelijk is dat ethyleen een krachtig mutageen en clastogeen is bij alle fylogenetische niveaus en induceert clastogene veranderingen in het DNA- en hemoglobine-adducten bij blootgestelde werknemers.  Dit wordt ook duidelijk vermeld in de verwerkingsindustrie zelf. Beroepsmatige blootstelling aan ethyleenoxide dient voorkomen te worden om de gezondheid van medewerkers te beschermen.  Ethyleenoxide is namelijk een tussenproduct bij de productie van chemische stoffen zoals ethyleenglycol of ethanolamine. Het wordt voornamelijk gebruikt bij de synthese van andere chemische stoffen. Als gevolg van de antibacteriële, antivirale en schimmelwerende eigenschappen wordt het tevens gebruikt bij de begassing, sterilisatie en desinfectie van goederen, silo’s en transportcontainers. Conform EU richtlijn 1272/2008/EC is ethyleenoxide een categorie 1B menselijk carcinogeen, of een categorie 1B mutageen.

Toch was de goedkeuring en de erkenning van ethyleen in de tomatenteelt  in 2016 een feit! De erkenning ging in op 1 september 2016 waardoor in dit teeltseizoen ethyleen kan worden toegepast. Om een ongelijke rijping te vermijden kan naast de toepassing van ethyleen ook nog steeds Ethefon worden toegepast. Ethefon wordt opgenomen door de plant en geleidelijk omgezet naar ethyleen, een natuurlijk plantenhormoon dat de rijping van tomaten stimuleert. Ethefon is niet zo onschuldig als het lijkt, het is mogelijk ook toxisch. Wereldwijd wordt er 140 miljoen ton gebruikt.

  1. Dit is de reden waarom supermarkttomaten saai zijn in vergelijking met die van de biologische boerenmarkt. Zodra onrijpe tomaten de opslag hebben bereikt, worden ze kunstmatig bespoten met ethyleen om het rijpingsproces te starten. Ze liggen hier eerst twee tot drie weken in koude opslag, voordat ze honderden kilometers verder naar supermarkten worden verzonden. De maximum afstand die verse tomaten daarmee kunnen afleggen zonder te veel schade op te lopen, is 2.000 kilometer. Aan de andere kant blijkt dat bij het transport van tomaten van Zuid- naar Noord-Europa veel CO2 wordt uitgestoten. Maar in het warme Zuiden zijn geen verwarmde serres nodig om ze te telen. De hoeveelheid CO2 die bij verwarming wordt uitgestoten, blijkt groter te zijn dan deze die vrijkomt bij het transport van Zuid-naar Noord-Europa. Dus Nederlandse tomaten zijn hiermee de grootste vervuilers.
  2. Voedselverspilling. Veel tomaten, maar ook komkommers en paprika’s die in de kas worden geteeld verdwijnen omdat ze te klein zijn, te vroeg rijp zijn of gekleurd, en komen niet op de markt. Daarnaast blijkt dat volgens de EPA (Environmental Protection Agency) het milieuagentschap in de Verenigde Staten 31% van de hoeveelheid tomaten door de gezinnen in de VS wordt weggegooid. Dat komt neer op 21 tomaten per persoon, per jaar. En dat komt overeen met een bedrag van 2,3 miljard dollar (2,2 miljard euro) per jaar. Met andere woorden een groot deel van de tomaten dat geproduceerd wordt, wordt helemaal nooit gegeten.

Nederlands antwoord

De reactie uit het Nederlandse bedrijfsleven is dan ook een beetje naïef,en vanuit de EU la helemaal schrikbarend, want deze blijft vooral de intensieve landbouw steunen. Green Deal weg. Terwijl in de Amerikaanse staat Kentucky 16 Nederlandse & Amerikaanse organisaties samen een ecosysteem van duurzame groenteteelt gaan opbouwen. Het consortium gaat samen geavanceerde kassen bouwen, opleidingsprogramma’s organiseren en de VS markt & retail voor duurzame, verse, lokale groenten ontwikkelen. De reactie in Nederland is  dat juist schaalvergroting en modernisering moeten leiden tot voedselveiligheid, een hogere vleesproductie en minder uitbraken van ziekten. Maar een LTO vraagt wel steun aan en gaan verder zoals het altijd gaat. Nog meer en groter. Terwijl de kleine duurzame initiatieven in Nederland gebruikt worden om te laten zien dat we goed bezig zijn. (krijgen natuurlijk geen subsidie) De belangen zie je duidelijk terug in bijvoorbeeld het “Voedsel anders Manifest”. Ondertekent door tientallen organisaties, behalve LTO en de overheid.

In veel landen zie we dat afsluiting van steden en sluitingen van bedrijven hebben geleid tot een toenemend besef van het vitale belang van de essentiële ecosysteemgoederen en -diensten waar stadsbewoners van profiteren. Vooral ten aanzien van het besef dat voedselbeschikbaarheid een van de belangrijkste behoeften is. De productie en levering van basisproducten maken deel uit van waardeketens die boeren, industrieën, logistiek en eindgebruikers met elkaar verbinden in een gelokaliseerde markt. Het besef van verandering dringt bij de sectoren niet echt door. De boeren protesteren nog steeds over stikstof en CO2 en niet over kleinschaligheid of biologische land en tuinbouw, en ook niet over het feit dat de boeren zelf nog steeds veel groenten en fruit doordraaien en supermarkten enorme hoeveelheden weggooien. Of dat ze afhankelijk zijn van buitenlandse seizoenarbeiders.

Op stadsniveau zien we dat de mobiliteitsbeperkingen, maatregelen voor sociale afstand en sluiting van restaurants en openbare kantines die door regeringen en lokale bestuurders zijn ingevoerd, invloed hebben op de consumptiegewoonten. Een van de eerste resultaten was paniek die mensen ertoe bracht om in een supermarkt te gaan hamsteren van goederen, met name langdurig houdbaar voedsel. Uit de resultaten van een wekelijks consumentenonderzoek blijkt dat de verkoop van eetbare goederen, zoals diepvriesproducten, verpakte levensmiddelen, zuivelproducten en flessenwater, in Europa en de Verenigde Staten dramatisch is gestegen. Maar ook interessant is dat de aankopen van vers voedsel zijn gestegen in Duitsland (+ 44,2%), VK (+ 27,5%), Italië (+ 9,8%), Frankrijk (+ 19%) en de VS (+ 43,4%), vergeleken met een jaar geleden. Bovendien hebben de thuisbezorgdiensten van voedselproducten en maaltijden positieve trends op de aankoopfrequentie geregistreerd, voornamelijk online, en de meeste gebruikers zullen deze waarschijnlijk gebruiken in de toekomstige postpandemie. Als de globalisering tot dusver de beweging van voedselproducten op de internationale markt over de hele wereld heeft verzekerd, heeft de COVID-19-uitbraak nieuwe korte termijn effecten op de voedselvoorziening en toegang hiertoe veroorzaakt.

De vraag is nu of de regeringen, bedrijven en de stedelijke autoriteiten hierdoor zich genoodzaakt voelen om overtolligheden en diversiteit van het wereldwijde voedselsysteem, regionale zelfvoorziening en voedselzekerheid in steden serieuzer te overwegen. Afgezien van mondiale vraagstukken, moeten in grote steden stedelijke planning en voedselsystemen worden herzien met een nieuwe ruimtelijke ordening en landbeheer door de hervatting van de voedselproductie te stimuleren met stads- en randstedelijke landbouw.  Met name is er de afgelopen jaren een enorme vraag en belangstelling voor de zelfproductie van groenten en fruit, en is deze toegenomen tijdens de COVID-19-pandemie. Nu de reactie op de pandemie zijn volgende fase ingaat, moeten we onderzoeken hoe we deze crisis kunnen gebruiken om positieve veranderingen in voedselvoorziening teweeg te brengen.

Oplossingen

Mini farming. Het lokaal perspectief met hydroponics en aquaponics

Het concept is niet nieuw in de wereld. Er zijn tientallen initiatieven die laten zien dat het werkt en rendabel is. Zo blijkt al snel dat een 300 vierkante meter kas uitgerust met nutriëntfilmtechniek (NFT) en diepwatercultuur (DWC) systemen voor het telen van diverse groenten en kruiden hiervoor geschikt zijn.  De groenten en kruiden worden verkocht met de wortels eraan vast. Klanten zijn de lokale supermarkten en verschillende voedseldistributeurs (huis aan huis) in de omgeving. De ervaring laat zien dat meeste klanten zich binnen een straal van 20 km van de productiefaciliteit bevinden. Ik heb zelf een kas van 100 vierkante meter en 300 m2 is een volledige dagtaak voor een persoon. Koppel je daar een aquaponics systeem aan dan kun je ook de nodige eiwitten leveren.

Steeds meer supermarktklanten zijn geïnteresseerd in lokaal geteelde groenten dan in gecertificeerde biologische.  Sommige winkels promoten de lokaal geteelde producten die ze aanbieden. Dat is een grote hulp voor telers die aan deze markten verkopen. Ook kan het voordeel nu gunstig worden aangewend om de consumenten lokale producten te laten kopen omdat ze een lokaal bedrijf kunnen ondersteunen, en ze willen misschien ook lokaal kopen omdat ze biologische of lokale producten kunnen kopen en de boer kennen. Aan de andere kant  is het voor de meeste mensen ook niet duidelijk wat lokaal is en wat organisch of biologisch is. Gecertificeerde biologisch heeft een specifieke eigen standaard. Maar ik zie niet dat de meeste consumenten onderscheid maken tussen deze woorden. Het is een soort vervormd beeld in deze filosofie van iets goeds willen doen en iets goeds willen doen voor het milieu. Dus kiezen ze voor lokaal, wat waarschijnlijk frisser is en dat misschien beter smaakt en eerder “biologisch” is.

Wat zijn de opties
  1. Traditionele Mini-“boerderijen” in uw stad … deze boerderijen produceren en leveren verse groenten aan restaurants en retailers – waardoor de logistiek en het daaruit voortvloeiende voedingsverlies wordt beperkt en de versheid en voeding worden gemaximaliseerd. Op een derde van een hectare [op een traditionele minifarm] kun je in verhouding anderhalve hectare groenten produceren in vergelijking met veldproductie. Voorwaarden is dat je het klein genoeg moet houden voor het individu en een diversiteit aan aanbod. Er zijn een heleboel plaatsen waar individuen op zoek zijn naar een kans [zoals mini-landbouw].

2. Hydroponics en Aeroponics. Binnen de traditionele boerderijen wordt nog op de grond gewerkt, maar deze mini-farms werken vanuit hydroponics en aeroponics zodat qua ruimte er nog minder nodig is. Ook hier moet je oppassen dat het weer niet doorslaat en te commercieel wordt. De reden hiervoor is praktisch en economisch. Je ziet het nu ook al bij de grote telers. Terwijl een algemene vuistregel is dat als het gaat om het kweken van grote hoeveelheid planten met een groot hydrocultuursysteem, zoals tomaten, is dat het ongeveer drie liter water per plant nodig heeft. Dit neemt natuurlijk af naarmate de plant kleiner wordt.  Duidelijk is dat commerciële minifarmers zich ook vaak richten op hoogwaardige speciale gewassen, zoals microgreens, paddenstoelen. En hoe groter des te meer kosten. Maar een Mini farm van hydroponics en aquaponics kan tussen de 300 – 1.000 vierkante meter voldoende opbrengst genereren. Zo kan 1000 m2 kweekruimte en ruimte voor tienduizenden vissen!  450 kilo per week biologische lokaal geteelde producten leveren en 900 kilo vis per maand. De micro-farm in Aquaponics en Hydroponics zorgt voor een gezonde, lokale productie, in directe verbinding met de consument. In Frankrijk is daar veel onderzoek naar gedaan en kwamen ze met o.a. een concept. (zie afbeelding)

  1. “Tunnels” Deze revolutionaire indoor landbouwsysteem geïnjecteerd met CO2, dat het proces van plantengroei tot 50% controleert en versnelt, is geschikt voor alle klimaten, 365 dagen per jaar en een optimale productie gegarandeerd. Ideaal voor extreme klimaten wat voor land en tuinbouw steeds meer een uitdaging is.  Deze tunnels zijn state-of-the-art klimaatgestuurde, antibacteriële, gezonde en voedzame omgevingen voor binnenteelt. Met behulp van GMH-technologie is hiermee het meest ideale energiezuinige binnensysteem voor groei gecreëerd. Het interieur is het ideale groei-ecosysteem met een koele temperatuur en een uitgebalanceerde luchtstroom. Geschikt om de plantengroei te maximaliseren, de opbrengst te verhogen en de kans op plantenziekte te verkleinen. Rond het gebied boven en rond de planten is er licht, warmte en bevochtiging. Dit verlaagt de bedrijfskosten per plant en creëert een luchtdichte, controleerbare, niet-belaste omgeving om uw planten in te laten groeien. Je kunt het niet vergelijken met container farming. Deze zijn niet rendabel. Lees hierover het artikel…containerfarming onzin.

Deze tunnel is gebouwd van vezelversterkte polymeer (FRP) of Pre-Insulated Panel (PIP), en zijn bedekt met een op soja gebaseerde gesloten celisolatie en waterdichting.  (Heatlok SOY polyurethaan eco-schuim met gesloten cellen) Ze passen in het natuurlijke terrein met behulp van lokaal geproduceerde bodembedekkers en vegetatie voor meer isolatie en volledige bescherming tegen de elementen. De individuele panelen wegen 75% minder per vierkante meter dan traditionele bouwmaterialen en zijn gemakkelijk met de hand te monteren. De tunnel is bestand tegen orkaan categorie 5.

De tunnel heeft een Laag energieverbruik: door energiezuinige componenten, een individueel aangedreven verlichting en verticale aeroponische wandsystemen. Het heeft relatief weinig bewegende delen: minder bewegende delen betekent minder reparaties, minder slijtage, minder storingen, een langere levensduur en lagere bedrijfskosten in afgelegen gebieden.

Het heeft een Biodigestion. Wat een natuurlijke manier is om onze organische afvalstoffen en ons voedsel weer om te zetten in kunstmest om meer planten te laten groeien. Het is een veilige, schone biogas die te gebruiken is als een gratis aanvullende warmtebron in deze units. In tegenstelling tot compostering is er bij biodigestie geen stikstof- of mineraalverlies in de atmosfeer. Biodigestion maakt de milieuvriendelijke driehoek compleet: verminderen, hergebruiken, recyclen!

Water: Bij elke stap in ons proces is rekening gehouden met de noodzaak om water te besparen. Aeroponic-systemen verminderen de waterbehoefte tot 90%. Elektromagnetische spectrumverlichting helpt bij het vasthouden van water in planten. Het luchtdichte ontwerp van Agrotunnels elimineert verdamping van water en nutriënten in de atmosfeer.

Buitenisolatie: Een deken van ECO-HEATLOK 200-schuimisolatie met gesloten cellen bedekt de hele Agrotunnel en biedt een R-50 + -isolatiefactor. Deze milieuvriendelijke formule op basis van soja en gerecyclede kunststoffen wordt gebruikt om een ​​volledige schimmelvrije, onderhoudsvrije, waterdichte, koudebestendige afscherming over de hele structuur te bieden.

Conclusie

Duidelijk is wat de essentie van de nieuwe landbouw moet zijn, een toename van lokale teelt en een verkorting van de toeleveringsketen met aanpassingen ten aanzien van de veranderde consumptie. (gezond en minder vlees) en gezien de veranderende klimaat moet de landbouw hierop anticiperen. Naast de kleinere afstand tot de consument, hebben de mini farms meer overlevingskans dan de toename van de te dure verticale boerderijen. Om dit te kunnen realiseren is het noodzakelijk een lokale coöperatie structuur voor de mini farms te organiseren. Het is de enige oplossing om de marktwerking van vraag en aanbod per regio te coördineren en te doen laten slagen. Een continuïteit moet gegarandeerd kunnen worden. Een mini-farm of tunnel alleen is geen oplossing maar door een coöperatie structuur kunnen schaalvoordelen gerealiseerd worden en kosten worden bespaard en meer mensen een baan hebben.

© Ed van der Post